Zoon is verbolgen. De hele week is hij braaf naar school geweest. De duisternis is ingevallen. De dag is ten einde en wat schetst zijn verbazing? Hij moet er verdorie wèèr heen.
Twee heel kleine meisjes kwamen logeren. Logeren bij ons in het bos. Rossige haartjes en een brede lach.
Het was tijd. Hoog tijd. Ik schilderde mijn gezicht in oorlogskleuren en trok naar de Grote Stad. Gedanst moest er worden.
In de gietende regen in een tentje spartelen met veel vrienden en nog meer kinderen. Het plan ligt niet zo voor de hand in de herfst, maar er is geen weg meer terug.
‘Jongens, het is een belangrijke dag. Vandaag mogen we stemmen.’ ‘Wij ook?’
De eeuw was bijna volgeleefd, maar zij was afgeleefd, uitgeleefd. Haar zoon beloofde een grote slagroomtaart voor haar 92ste verjaardag. Ze wilde juist een deuntje huilen, maar na twee jaar louter babyhapjes, maakte dat een lachje los.
Het is gebeurd. We zijn nu officieel een grote ranzige familie. Zoon krabt zich achter zijn oor (dat kan nog zomaar gebeuren), maar daarna ook heel uitbundig op het hoofd.
De tijd werkt in mijn voordeel. Dochter slaapt uit. Zoons zijn weliswaar niet bereid om zich aan te kleden, maar eigenlijk hoeft dat ook niet met dit weer.




